Nieuwsarchief
Kleine bedrijven beter toegerust voor crisis
De economie laat in 2009 een flinke krimp zien stelt ING economisch bureau vast. De eerste signalen van een toenemend aantal faillissementen zijn al zichtbaar. Als gevolg van een betere financiële uitgangspositie blijken kleinere bedrijven tot nu toe weerbaarder dan grotere bedrijven. Zij hebben meer vet op de botten en meer middelen in kas. Naarmate de teruggang langer duurt, vormen de hoge schuldenlast en een minder professioneel incassobeheer echter risico's voor kleinschalige bedrijven.
De liquiditeitspositie laat bij kleine bedrijven (tot 10 werknemers) de afgelopen periode een gunstiger ontwikkeling zien dan bij (middel)grote bedrijven. Dit komt voort uit enerzijds een relatief ruime kaspositie en anderzijds een gemiddeld werkkapitaalbeslag. Opvallend hierbij is dat kleinschalige bedrijven aanzienlijk kortere betalingstermijnen hanteren dan grootschalige bedrijven. De voorraadtermijnen lijken niet te worden beïnvloed door de grootte van het bedrijf. De economische crisis kan echter via een verslechterende betalingsmoraal nog roet in het eten gooien. Klanten stellen betalingen steeds vaker uit, wat de cash flow onder druk zet en het werkkapitaalbeslag vergroot. Kleinere bedrijven hebben hier meer last van dan grotere. Hun debiteurenbeheer is doorgaans minder professioneel georganiseerd.
Daar staat tegenover dat kleinschalige bedrijven door een gunstiger solvabiliteitspositie gemiddeld meer vet op de botten hebben dan grootschalige bedrijven. Tegelijkertijd drukken schulden - mede door een lagere winstgevendheid - relatief zwaar op de schouders van kleine bedrijven. De ruimte om aan rente- en aflossingsverplichtingen te kunnen voldoen, neemt hierdoor sneller af dan bij grotere bedrijven. Daar komt bij dat eventuele verliezen rechtstreeks ten laste komen van het eigen vermogen, waardoor de solvabiliteit van kleine bedrijven waarschijnlijk sneller onder druk komt.
Box 1 Meten financiële weerbaarheid
De liquiditeit geeft de mate weer waarin bedrijven op tijd de aangegane korte termijn verplichtingen kunnen voldoen en wordt meestal berekend door het werkkapitaal te delen op het balanstotaal. Een goede liquiditeit is belangrijk. Teveel werkkapitaal betekent echter wel een hoge financieringslast. Het verdient daarom aanbeveling om het werkkapitaal goed in de gaten te houden. Een andere bekende ratio is de solvabiliteit, waarbij het eigen vermogen wordt gedeeld door het balanstotaal. De solvabiliteit is een indicator voor de mate waarin een onderneming aan zijn lange termijn verplichtingen kan voldoen. Zij komt vooral onder druk te staan wanneer bedrijven verlieslatend zijn. De winstgevendheid (ook wel rentabiliteit genoemd) die onder andere wordt bepaald door de brutowinst of bedrijfsresultaat te delen op de omzet staat bij de meeste bedrijven overigens wel onder druk. Dit komt niet alleen doordat de afzet daalt, maar ook door prijsverlagingen als gevolg van de toegenomen concurrentiedruk. Een verslechtering van het bedrijfsresultaat zet overigens niet alleen de rentabiliteit onder druk. Ook de aflossings- en investeringscapaciteit neemt hierdoor af. Deze wordt voor kapitaalintensieve bedrijven berekend door de totale schuld te delen op het bedrijfsresultaat (debt/EBITDA). De debt/EBITDA speelt een centrale rol bij de kredietverlening door banken. Hierbij wordt als grove vuistregel een verhoudingsgetal van drie keer de totale schuld in de EBITDA als bovengrens genomen. In ondernemingen die meer werkkapitaal gedreven zijn, wordt meestal niet naar de debt/EBITDA gekeken bij het vaststellen van de aflossingscapaciteit maar staat de interestdekking centraal. Hierbij wordt het bedrijfsresultaat afgezet tegen de rentelasten, waardoor een beeld bestaat van het aantal keer dat de totale rentelasten kunnen worden betaald uit het bedrijfsresultaat. De kracht om de recessie het hoofd te bieden is overigens niet alleen afhankelijk van deze financiële ratio’s. Ook de kostenstructuur speelt een belangrijke rol. Bedrijven met een groot aandeel vaste kosten zijn immers minder flexibel om zich snel aan de veranderende situatie aan te passen, waardoor de financiële uitgangspositie minder gunstig is.










